Dag 45

Bijbeltekst: Exodus 12: 21-28

Johannes 1:1-18

Het Woord van God

1In het begin was het Woord, het Woord was bij God en het Woord was God. 2Het was in het begin bij God. 3Alles is erdoor ontstaan en zonder dit is niets ontstaan van wat bestaat. 4In het Woord was leven en het leven was het licht voor de mensen. 5Het licht schijnt in de duisternis en de duisternis heeft het niet in haar macht gekregen.

6Er kwam iemand die door God was gezonden; hij heette Johannes. 7Hij kwam als getuige, om van het licht te getuigen, opdat iedereen door hem zou geloven. 8Hij was niet zelf het licht, maar hij was er om te getuigen van het licht: 9het ware licht, dat ieder mens verlicht en naar de wereld kwam. 10Het Woord was in de wereld, de wereld is door hem ontstaan en toch kende de wereld hem niet. 11Hij kwam naar wat van hem was, maar wie van hem waren hebben hem niet ontvangen. 12Wie hem wel ontvingen en in zijn naam geloven, heeft hij het voorrecht gegeven om kinderen van God te worden. 13Zij zijn niet op natuurlijke wijze geboren, niet uit lichamelijk verlangen of uit de wil van een man, maar uit God.

14Het Woord is mens geworden en heeft bij ons gewoond, vol van goedheid en waarheid, en wij hebben zijn grootheid gezien, de grootheid van de enige Zoon van de Vader. 15Van hem getuigde Johannes toen hij uitriep: ‘Hij is het over wie ik zei: “Die na mij komt is meer dan ik, want hij was er vóór mij!”’ 16Uit zijn overvloed zijn wij allen met goedheid overstelpt. 17De wet is door Mozes gegeven, maar goedheid en waarheid zijn met Jezus Christus gekomen. 18Niemand heeft ooit God gezien, maar de enige Zoon, die zelf God is, die aan het hart van de Vader rust, heeft hem doen kennen.

” En als uw kinderen dan vragen: “Wat betekent dit gebruik?” 27antwoord dan: “Wij brengen de HEER een pesachoffer omdat hij de huizen van de Israëlieten voorbij is gegaan toen hij de Egyptenaren strafte; ons heeft hij gespaard.” 

Ik schreeuw het van de daken
of toch maar niet.
Deze vuile handen
was ik maar in verdriet.
Dat ik niets doen kon:
Ik spreek mezelf vrij,
zoals wij overlevenden dat
dagelijks doen

Je zou kunnen zeggen dat jij
verloren hebt
maar deze overwinning
smaakt bitter…

Na jaren van slavernij is het volk Israël bevrijd uit Egypte, uit de handen van de machtige farao. Tien plagen zijn over het land gegaan, omdat de farao het volk niet wilde laten gaan. Tien plagen waar vooral de bevolking last van had: plagen van ongedierte die de gewassen opaten, veepest, zweren, hagel. Ook in deze tijd zien we vaak dat het gewone volk het meeste lijdt onder de machtswellust van slechte leiders. En de laatste plaag is de meest verschrikkelijke: alle eerstgeboren zonen van de Egyptenaren sterven, ook van de Farao. De zonen van de Israëlieten worden gespaard: de engel des doods gaat aan hun deur voorbij, omdat ze deze met bloed van een lam hebben ingesmeerd.


En daar is dan de bevrijding, een bevrijding die tot op de dag van vandaag wordt gevierd en herdacht. Maar in die bevrijding is ook altijd bitterheid, net zoals Frank Boeijen zingt in zijn lied. Elke overwinning kent zijn verliezers.

De bezinningsvraag bij deze tekst: Welke strijd heb jij in je leven gevoerd? En hoe kwam je eruit?